Na als leerling te zijn ingewijd volgt de bevordering tot gezel en vervolgens de verheffing tot meester.

De ontwikkelingsweg van de vrijmetselaar wordt aangegeven met drie stadia: Leerling, Gezel en Meester. Geestelijke arbeid staat in de loge centraal en heeft in elke graad een andere inhoud en betekenis.

In deze drie-eenheid ligt in de leerling fase het accent op zelfonderzoek. Het gaat om het werken aan een levenshouding die ruimte laat aan vrijheid in verscheidenheid en het leren omgaan met de eigen struikelblokken. De gezel wordt geconfronteerd met bezinning op zijn verantwoordelijkheden als mens in de samenleving. Eenmaal meester zal hem de samenhang van de drie graden duidelijk zijn en beseft hij dat aan alle aspecten blijvend aandacht moet worden gegeven. Het is een menselijke weg van vallen en opstaan. Het schootsvel en de handschoenen die hij in navolging van zijn ambachtelijke voorganger uit de Middeleeuwen tijdens ma├žonnieke plechtigheden draagt hebben in dat spel een specifieke betekenis.

Vrijmetselaars ontmoeten elkaar in de loge en wisselen van gedachten over allerlei onderwerpen. Zij toetsen hun eigen mening en gedachten aan die van anderen, niet altijd vrijmetselaren, over soms zeer uiteenlopende standpunten en overtuigingen. Vrijmetselaren proberen op te zoeken wat mensen vereent en trachten te overbruggen wat de geesten en gemoederen verdeelt.

Circa vijfduizend Nederlandse vrijmetselaren werken op deze wijze aan zichzelf en hopen zo bij te dragen aan een evenwichtige ontwikkeling van onze samenleving. Niet direct naar buiten gericht, maar indirect door zelfontplooiing en daardoor het bewuster dragen van verantwoordelijkheid.