Het thema van een bouwstuk in onze loge was ‘Dutch courage’.
Volgens de populaire overlevering vindt de oorsprong van de term ‘Dutch courage’ plaats bij Engelse soldaten die vochten in de Engels-Nederlandse oorlogen (1652-1674) en mogelijk zelfs al in de Dertigjarige Oorlog (1618-1648). Een andere versie stelt dat Engelse soldaten jenever gebruikten vanwege de kalmerende werking ervan vóór de strijd en vanwege de vermeende verwarmende eigenschappen voor het lichaam bij koud weer. Een andere versie stelt dat Engelse soldaten de moedverhogende werking van jenever op Nederlandse soldaten opmerkten.
De uitdrukking ‘Dutch courage’. klinkt licht. Alsof moed iets is dat je kunt innemen, even kunt oproepen, een zetje van buitenaf, en daarna weer kwijt bent.
Toch blijft er iets knagen aan die gedachte. Moed wordt zelden zo beleefd.
Wie het woord Fortitudo erbij haalt — uit de traditie van de zeven deugden — komt dichter in de buurt. Daar gaat het minder over het moment en meer over het uithouden. Moed krijgt een andere klank. Minder het plotselinge moment, meer het vermogen om te blijven. Standhouden wanneer het schuurt, wanneer het onduidelijk is hoe het verder moet of afloopt.
Dat maakt het minder zichtbaar. En misschien ook minder comfortabel. En voor een buitenstaander klinkt dat minder spectaculair. Misschien is dat ook precies de bedoeling
In mei 1940, bij de Grebbeberg, waren er soldaten die bleven terwijl de situatie al kantelde. De druk nam toe, berichten spraken elkaar tegen, terugtrekken lag voor de hand.
En toch gebeurde dat niet altijd. Angst was er. Onmiskenbaar.
Maar ergens daar, tussen weggaan en blijven, ontstond een keuze die zich niet makkelijk laat benoemen.
Aristoteles zou zeggen dat moed zich juist daar bevindt. Tussen twee uitersten. Niet in het roekeloze, niet in het ontwijken. Ergens ertussenin, telkens verschuivend, afhankelijk van de situatie.
Je leert dat niet uit theorie. Alleen door het te doen. Door het te ervaren.
Dat maakt moed grillig. En persoonlijk.
Op zee, in een andere tijd, speelde zich iets vergelijkbaars af, maar trager. De lange reizen van de Republiek in de tijd van de VOC, maandenlang onderweg, in een afgesloten wereld met weinig uitzicht op verandering.
Ziekte, uitputting, stilte en monotone herhaling.
Daar zat geen duidelijk heldenmoment in. Eerder een opeenstapeling van dagen waarin mensen doorgingen. Nog een wacht. Nog een taak. Nog een nacht.
Moed krijgt daar een ander tempo. Minder zichtbaar, maar niet minder aanwezig. Het zit in het volhouden van wat er van je gevraagd wordt, ook wanneer niemand kijkt.
In de sport lijkt moed zichtbaarder. Een beslissend moment. Een lichaam dat tot het uiterste gaat.
Maar ook daar verschuift het beeld als je iets langer kijkt.
Een schaatser die na een val weer opstaat terwijl de race eigenlijk al verloren is. Een voetballer die opnieuw een penalty neemt na eerder te hebben gemist. Het publiek ziet het moment, maar niet wat eraan voorafgaat.
Twijfel. Herhaling. De keuze om het nog eens te proberen.
Stine Jensen, een Deens-Nederlandse filosofe en publiciste, noemt dat ‘faalmoed’. Handelen terwijl falen mogelijk is. Misschien zelfs waarschijnlijk.
De onzekere mens, dat zijn wij allemaal, winnen of verliezen: dat is niet een kwestie van maakbaarheid en individuele verantwoordelijkheid alleen. Faalmoed is de mens die kwetsbaar en struikelend door het leven durft te gaan.
Ook buiten het zichtbare strijdtoneel duikt moed op.
In organisaties, waar beslissingen zelden zwart-wit zijn. Iemand die zich uitspreekt terwijl zwijgen veiliger voelt. Iemand die verantwoordelijkheid neemt, zonder te weten hoe het zal uitpakken.
Vandaag de dag staan begrippen als moed en waardigheid steeds meer onder druk. Er heerst een spanning tussen twee manieren van werken en misschien ook van kijken naar mensen.
Aan de ene kant is er de werkelijkheid van organisaties vandaag: processen, targets, schaalvergroting, efficiëntie. Werk wordt meetbaar gemaakt. Beslissingen worden vaak genomen op basis van systemen, regels, cijfers. Dat is nodig om dingen draaiende te houden.
Maar precies daarin raken woorden als moed en waardigheid een beetje op de achtergrond. Ze laten zich lastig meten. Ze passen niet goed in schema’s of rapportages. Ze kosten soms tijd, vertragen zelfs.
De ruimte om als mens te handelen met gevoel voor eer, verantwoordelijkheid, of morele afweging kan kleiner worden in zo’n omgeving.
En toch gebeurt het. In kleine gebaren. In momenten die niet worden vastgelegd.
Dat is eigenlijk een tegenbeweging. Ondanks systemen blijven mensen dingen doen die niet in regels passen.
Een arts die nét iets langer blijft bij een patiënt.
Een collega die verantwoordelijkheid neemt voor een fout die niet direct zichtbaar is.
Iemand die zich uitspreekt terwijl dat niet gevraagd wordt — en misschien zelfs onhandig is.
Dat zijn geen grote, zichtbare daden. Ze komen niet in jaarverslagen.
Maar daar zit wel iets van moed in.
Juist omdat het niet vanzelfsprekend is binnen een omgeving die vooral gericht is op efficiëntie en controle
Misschien ligt daar een andere laag van moed. Minder zichtbaar, maar niet minder echt.
Psychiater Dirk De Wachter verwijst daar vaak naar. Hij spreekt over het verdragen van het gewone. Over het uithouden van wat niet opgelost kan worden.
Kwetsbaarheid, twijfel, onvolmaaktheid.
Dat vraagt geen spektakel. Wel iets dat dichtbij komt.
Tegenslag hoort daarbij. Er is moed nodig om aan het blijven aannemen dat het leven de moeite waard is, ook wanneer het tegenzit.
Een militair die terugkomt en opnieuw moet beginnen.
Een sporter die herstelt zonder zekerheid.
Iemand die doorgaat terwijl het resultaat uitblijft.
Het zijn geen grote verhalen.
Maar er zit iets in dat blijft.
Een ontwikkeling die veel mensen wel herkennen, maar zelden zo benoemen, is die spanning met veiligheid.
We zijn steeds meer gewend geraakt aan het idee dat risico’s vermeden moeten worden. In werk, in beleid, in het dagelijks leven. Dingen moeten veilig zijn, controleerbaar, voorspelbaar. Dat geeft rust. Of in ieder geval het gevoel van grip.
Deze drang naar veiligheid is niet neutraal. Ze vormt hoe we handelen. Wat we wel doen. maar ook wat we laten.
Want als je alles probeert dicht te regelen, blijft er weinig ruimte over voor het onverwachte. En juist daar ontstaat vaak beweging. Vernieuwing. Of simpelweg een stap die nog niet eerder gezet is.
Daar zit de spanning.
Veiligheid vraagt om begrenzen.
Moed vraagt soms om openen.
Dat betekent niet dat veiligheid onbelangrijk is. In veel situaties is ze essentieel. Denk aan zorg, infrastructuur, militaire operaties — daar kan roekeloosheid grote gevolgen hebben.
Maar als veiligheid het enige kompas wordt, ontstaat er iets anders. Terughoudendheid. Afwachten. Misschien zelfs stilstand.
Wie alleen veiligheid zoekt, komt minder in beweging. Moed vraagt soms dat je daar even van afwijkt
Dat “even” is belangrijk. Het gaat niet om het loslaten van alle controle, maar om het moment waarop iemand besluit: hier kan ik niet volledig zeker zijn, en toch doe ik het.
Dat kan klein zijn.
Een mening uitspreken.
Een beslissing nemen zonder alle informatie.
Een stap zetten terwijl de uitkomst nog openligt.
Dat voelt niet vanzelfsprekend, omdat het ingaat tegen die ingebouwde reflex van zekerheid zoeken.
En precies daar, in dat ongemak, begint iets wat op moed lijkt.
De uitdrukking Dutch courage suggereert dat moed iets tijdelijks is. Iets dat je van buitenaf krijgt en weer verliest.
Maar in de praktijk ziet moed er anders uit.
Het ontstaat meestal niet in één moment. Het groeit in de tijd. Door ervaring. Door herhaling. Ook door twijfel heen. Juist wanneer iemand niet zeker weet wat de juiste stap is, maar toch handelt.
Soms betekent dat blijven, terwijl weggaan makkelijker zou zijn.
Soms betekent het juist handelen, terwijl niets doen veiliger voelt.
Of het nu gaat om militaire situaties, sport of het dagelijks werk: moed is niet altijd direct zichtbaar. Het laat zich ook niet eenvoudig aanwijzen op het moment zelf.
Vaak herken je het pas achteraf.
In wat iemand heeft volgehouden.
In keuzes die niet zijn teruggedraaid. Of in een situatie waarin iemand, zonder veel woorden, verantwoordelijkheid nam en bleef staan.